20220703_133045-01.jpeg

BEACH BOYS

 

(september 2022)

 

Met name in de jaren zestig en zeventig, de periode waarin ik ook muzikaal ‘opgroeide’, zijn er natuurlijk veel groepen en solisten geweest die ik fantastisch vond, al was het in sommige gevallen maar door een paar nummers. Er staat wat mij betreft één groep model voor de jaren zestig- althans zoals ik ze beleefd heb- en dat waren the Beatles.

 

Toch- hoe groot mijn bewondering voor hen ook is, hun invloed nauwelijks te bevatten en hoe zij met hun fenomenale liedjes de popmuziek ook vorm hebben gegeven, ze moeten het wat mij betreft toch afleggen tegen de voormalige surf-dudes uit de USA. Een omschrijving die Brian Wilson c.s. ruimschoots te kort doet overigens, en ik ging ze persoonlijk pas echt waarderen toen ze dat enigszins puberale stadium al achter zich hadden gelaten. Bovendien schijnt er slechts één bandlid te zijn geweest dat zich ook daadwerkelijk op zo’n surfplank staande kon houden, namelijk drummer Dennis Wilson. Beetje zuur dat juist hij uiteindelijk de verdrinkingsdood stierf, maar dat lag naar verluidt niet aan de surfplank. Brian heeft vast ooit wel eens een zo’n ding vastgehouden voor de foto, maar hij leek mij een weinig sportief type, dat liever in de studio een liedje schreef dan op een plank over de golven scheerde.

 

Waarom de Beach Boys, en niet de Beatles, vroeg ik mij recentelijk in een nostalgische bui af. Veel liedjes van beide bands zijn zonder meer briljant, pakkend, inspirerend en origineel (en nog veel meer) en in belangrijke mate bepalend geweest voor van alles. Maar ik denk dat dat voor mij uiteindelijk zit in het feit dat eerstgenoemden mij ook konden ontroeren, en de Britten, hoe geweldig ook, toch wat minder. Ontroering maakt voor mij immers een belangrijk deel uit van muzikale beleving. Had ik ooit kippenvel gekregen van een Beatles-nummer, bedacht ik me? Misschien, maar ik wist het niet zeker. En als dat gebeurd is, waarschijnlijk eerder bij een liedje van John Lennon dan van Paul McCartney. Mijn waardering voor hen zat in andere dingen.

 

The Beatles waren veel consistenter in hun creatieve output dan hun Amerikaanse tegenpolen. De band bestond ook al die tijd uit vier dezelfde muzikanten, met als belangrijke steunpilaar producer George Martin. The Beach Boys daarentegen konden briljante platen maken, maar wisselden dat regelmatig, en zeker later, af met beduidend oninteressanter materiaal. De bezetting fluctueerde ook nogal: zelfs het zogenaamde ‘brein’ achter de meeste muziek, Brian Wilson, leek af en toe wel volledig van het toneel verdwenen, of maakte onder de bandnaam juist platen waar meer studiomuzikanten op meededen dan groepsleden (‘Pet Sounds’). Zo kan ik me bijvoorbeeld ook niet herinneren dat een Beatles-plaat ooit geflopt is. En hoewel het wereldwijde succes van de Beach Boys natuurlijk ook jaloersmakend is, deden lang niet alle platen het even goed.

 

Misschien wel het sterkste punt van de Amerikanen is de vocalen. Voor mij zijn zelfs hun mindere nummers de moeite waard op het moment dat de (meerstemmige) zang begint. Wat een rijkdom aan harmonieën en arrangementen, en vooral: wat passen die stemmen toch ongelooflijk bij elkaar. Als zij zingen, gaat de hemel open. Het heeft ongetwijfeld iets te maken met hoe stemmen van muzikale broers in het algemeen goed samenklinken, en dat zal door het DNA komen. Hierbij niets ten nadele van de rest van de band, want de stemmen van Mike Love en Al Jardine zijn bepaald meer dan een aardige aanvulling- zij maken het klanken- en kleurenpalet van de Beach Boys compleet.

 

Ik heb ze nooit live gezien en nooit ontmoet, maar ik heb toch twee indirecte herinneringen aan de Beach Boys. Het was 1971/72, en ik studeerde in die tijd vlijtig contrabas op het Hilversumse Muzieklyceum. Dagelijks passeerde ik op mijn fiets en met strijkstok de Albertus Perkstraat, die op mijn route lag. In die straat zou ik later komen te wonen, maar dat wist ik toen nog niet. Wat ik ook niet wist was, dat op nr 43, amper twintig meter van mijn latere woning, op dat moment Carl Wilson- wat mij betreft de beste popzanger ooit- woonde. Dat was ten tijde van de opnames van hun album ‘Holland’ in hun uit Amerika overgevlogen studio te Baambrugge. De hele groep verbleef gedurende die tijd in huizen, die verspreid lagen over het hele Gooi: Blaricum, Laren, Hilversum. Pas later hoorde ik van de fietsenmaker schuin tegenover ons huis, dat ik maandenlang nietsvermoedend langs mijn held was gefietst. Een foto van Carl buiten voor het wc-raampje vormde daartoe het onweerlegbare bewijs. Die fietsenmaker heeft aan de Beach Boys trouwens nog een aardige handel- en een aantal opmerkelijke verhalen over gehouden.

 

De tweede herinnering betreft Jack Rieley, in die tijd een merkwaardige combinatie van manager, producer en co-tekstschrijver (zoals ‘Long Promised Road’) van de band, met name toen Brian het regelmatig liet afweten. Jack verbleef rond 1974/75 gedurende enige tijd in Nederland, om precies te zijn in Broek in Waterland.

 

Hij werkte er aan een solo album voor EMI, en Kayak-producer Gerrit-Jan Leenders- mijn Beach Boys voorkeur kennende- legde het contact om te zien of daar iets interessants uit voort kon komen. We (Gerrit-Jan, ik denk ook Pim Koopman maar weet dat niet zeker meer, en ik) bezochten Jack thuis en namen wat nummers door achter de piano die bestemd waren voor het album ‘Royal Bed Bouncer’, onder andere ‘If This Is Your Welcome’ en ‘Chance for a Lifetime’. Het idee om in dat laatste nummer het woord ‘lifetime’ in een tweede refrein te vervangen door ‘lifeline’ kwam van Jack. Niet heel erg schokkend, wel leuk om te vermelden denk ik. Verder hebben we elkaar nooit meer gezien. Ik meen me wel te herinneren dat Jack’s solo album EMI Nederland door de torenhoge kosten bijna aan de rand van de financiele afgrond had gebracht, maar dit terzijde.

 

En natuurlijk zijn ook daar allemaal geen foto’s van, jammer genoeg. Net zo min als van Kayak driedaagse mix-sessie met Alan Parsons in Abbey Road. Of van ons concert met Queen in het Congresgebouw in Den Haag, waar ook nauwelijks beelden van zijn. Ok, er waren toen nog geen mobieltjes waarmee je iedere scheet of maaltijd met de wereld kunt delen, maar waarom niet gewoon een camera’tje meegenomen?

 

Goed, we moeten het doen met herinneringen, die vaak later pas een vaste plek krijgen in het grote totaal. En soms verras je jezelf doordat er ineens iets komt bovendrijven waarvan je dacht dat je het was vergeten. En nu ik al een tijdje niet meer aan de Albertus Perkstraat woon, denk ik vaker aan wat ik toen nog niet wist.

 

Ton